Meerjarenbeeld

In de Meerjarenbegroting hanteren wij de volgende uitgangspunten:

Ontwikkeling prijsstijgingen en loonkosten

In de Meerjarenbegroting houden wij rekening met constante prijzen. We houden dus geen rekening met inflatie en loonsomontwikkeling.  In de begroting 2027 is voor aanvaard / bestaand beleid een algemene prijsontwikkeling van 2% gehanteerd. 
In de samenstelling van de begroting 2027 worden de salarissen van de begroting 2026 als uitgangspunt genomen.  Voor 2027 wordt vooralsnog een loonkostenontwikkeling verwacht van 4,2 % ten opzichte van de salarissen uit de begroting 2026. Dit indexpercentage is gehanteerd vanuit de meicirculaire 2026; loonvoet sector overheid. De  CAO gemeenten 2025-2027 is van kracht tot 31 maart 2027.  

Algemene uitkering uit het gemeentefonds

Zoals gebruikelijk is de meicirculaire gehanteerd voor de berekening van de algemene uitkering in deze programmabegroting. De belangrijkste ontwikkelingen worden hieronder toegelicht.

Ten opzichte van de begroting 2026 stijgt de algemene uitkering in 2027 met € 2,6 miljoen. Daar staat tegenover dat zowel de decentralisatie-uitkeringen als de integratie-uitkering sociaal domein met bijna € 400.000 dalen. De daling van de integratie-uitkering betreft de rijksbijdrage WSW als gevolg van de afname van het aantal WSW-medewerkers. Dit leidt tevens tot lagere personeelskosten voor de WSW.

De meest opvallende ontwikkeling is de verschuiving van de daling van de algemene uitkering naar 2028, het nieuwe ravijnjaar. Door het doorschuiven van rijksbezuinigingen, met name binnen het sociaal domein (jeugd en Wmo), van 2026 naar 2028 wordt het financiële vraagstuk naar de toekomst verplaatst. Op dit moment is nog onduidelijk welke maatregelen het Rijk gaat treffen om deze besparingen te realiseren.

Het Rijk heeft in de Voorjaarsnota 2025 aanvullende maatregelen voor de jeugdzorg aangekondigd waarvoor gemeenten onder voorwaarden stelposten mogen opnemen. Het betreft de maatregelen ‘verkorten van de trajectduur’ en ‘de eigen bijdrage jeugdzorg’. De daarmee samenhangende besparing van het Rijk is ook verwerkt in de meicirculaire 2026. Voor Oost Gelre leidt dit vanaf 2028 tot een verlaging van de algemene uitkering van € 497.000. Hiervoor is een stelpost opgenomen in de meerjarenraming.

Huishoudelijke hulp

In de meicirculaire 2026 is een voorgenomen wijziging verwerkt waarbij de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp binnen de Wmo 2025 per 1 januari 2029 komt te vervallen. Hiermee is landelijk een uitname van € 1,4 miljard uit het gemeentefonds gemoeid. Voor inwoners die niet zelf in huishoudelijke hulp kunnen voorzien, blijft een vangnet bestaan. Hiervoor wordt vanaf 2029 landelijk € 430 miljoen aan het gemeentefonds toegevoegd.

De hiervoor benodigde wetswijziging is op dit moment nog niet vastgesteld. Voor Oost Gelre leidt verwerking van deze wijziging in de meicirculaire tot een verlaging van de algemene uitkering van circa € 2,2 miljoen. De toevoeging voor het vangnet bedraagt circa € 658.000. Per saldo resulteert dit in een financieel nadeel van afgerond € 1,5 miljoen. Gezien de onzekerheid over de definitieve besluitvorming en de uiteindelijke financiële gevolgen voor gemeenten is vanaf 2029 een stelpost van € 1,5 miljoen opgenomen in de meerjarenraming. Hiermee wordt de voorgenomen wijziging voorlopig budgettair neutraal verwerkt.

Capaciteit decentrale overheden klimaat- en energiebeleid (CDOKE)

In de meicirculaire 2026 zijn voor 2027 middelen beschikbaar gesteld voor de uitvoering van klimaat- en energietaken (CDOKE). Gemeenten mogen de in 2027 ontvangen basisfinanciering vanaf 2028 structureel ramen. Voor Oost Gelre is daarom vanaf 2028 een structurele stelpost van € 1,0 miljoen aan verwachte CDOKE-middelen opgenomen. Hiertegenover zijn in de begroting ook de bijbehorende lasten voor de uitvoering van klimaat- en energietaken verwerkt.

 

Belastingdruk

Wij houden vanaf 2027 rekening met een jaarlijkse trendmatige verhoging van 2% voor de onroerendezaakbelasting (OZB) ad € 150.000. Er wordt geen extra verhoging voorgesteld. 

Jaren 2028-2030

Voor de jaren 2027-2029 wordt gewerkt met constante prijzen.

In het voorstel dat voorligt, worden de jaren 2028, 2029 en 2030 met een negatief saldo gepresenteerd, zoals ook het advies van de VNG luidt.  Deze negatieve saldo's in de meerjarenraming komt  door de verschuiving van het ravijnjaar van 2026 naar 2028. 

Afwijking programmabegroting 2027 – 2030 ten opzichte van programmabegroting 2026 – 2029

Ten opzichte van programmabegroting 2026 – 2029 zien we een verslechtering van de financiële positie voor 2028 e.v. van ruim € 1 miljoen. Deze verslechtering wordt veroorzaakt door een lagere algemene uitkering onder meer door het accres en onvoldoende compensatie van de kostenstijging sociaal domein. Verder is sprake van een daling van participatie-uitkering waarbij de uitgaven voor de WSW minder snel afnemen.